Velen van u zijn volgens mij wel bekend met de Sanzhi Pod City (http://www.bratton.info/projects/texts/the-orchid-mantis-of-sanzhi-ufo-pod-city/) in de buurt van New Taipei City op Taiwan. Deze stad van de toekomst werd te laat geboren, in 1978. Het project, oorspronkelijk bedoeld als vakantieoord voor Amerikaanse soldaten, werd getroffen door een serie mysterieuze auto-ongelukken en in 1980 opgedoekt. De toekomst duurde slechts twee jaar.

 

Maar toen de sloopwerkzaamheden in 2008 begonnen, werd ontdekt dat niet één maar vijf tot op dat moment onbekende soorten van de orchidee-bidsprinkhaan de ruïnes in bezit hadden genomen, en zich hadden vermenigvuldigd tot een populatie van naar schatting tien miljoen insecten – boven de grond, onder de grond, in de bouwsels en daartussenin. Niemand weet hoe of waarom.

 

Etymologen hebben opgemerkt dat deze onbedoelde beschaving van orchidee-bidsprinkhanen een ongelooflijk ingewikkelde arbeidsdeling heeft ontwikkeld, niet alleen tussen de diverse soorten, maar ook daarbinnen: er was sprake van strikte systemen voor het verkrijgen van voedsel en het bouwen van nesten, en er waren talloze voorbeelden van stigmergische communicatie tussen individuen van verschillende soorten, die nergens eerder zijn waargenomen.

 

Hun werk heeft ook geresulteerd in de verspreiding van nieuwe ondersoorten van de orchideeënfamilie, waar de insecten op lijken en waar ze hun naam aan ontlenen. Orchideeën komen in dit deel van Taiwan doorgaans niet voor, maar doen het vandaag de dag bijzonder goed in de ongebruikelijk labyrint-achtige kou en duisternis waarin door de eigen architectuur van de bidsprinkhanen wordt voorzien.

 

De stad van de toekomst is niet voor mensen. Het Antropoceen, het opnieuw vormgeven van de wereld naar het beeld van de industriële moderniteit, zal een kort leven beschoren zijn. Het zal eerder een geopolitiek moment dan een geologisch tijdperk zijn. De mens verdwijnt. Onze steden zijn niet van ons. We bouwen woonomgevingen voor andere levensvormen dan wijzelf. Wij zijn hun instrumenten; wij zijn de robots van toekomstige insecten.

 

De buitengewone architectuur van Sanzhi – dat wil zeggen, de systemen die door de orchidee-bidsprinkhanen zijn gebouwd bovenop en tussen de UFO-pods – is binnen een tijdbestek van dertig jaar een waardevol archeologisch hulpmiddel voor de toekomst geworden. Het is geen mislukte, maar een succesvolle toekomst. Het is ónze toekomst. Wij bevinden ons er nu al middenin. Wij, die worden vervangen door de orchidee-bidsprinkhaan.

 

Ik heb gemerkt dat je heel veel over iemands materialisme (en over zijn of haar realisme, speculatief of anderszins) te weten kunt komen door de manier waarop hij of zij denkt en praat over de reële materie zelf, en het belang, de veranderlijkheid, de werking of de stilheid daarvan.

 

We gaan ervan uit dat computerprocessen eerder ontdekt dan uitgevonden zijn; dat algoritmische, generatieve processen samenhangen met de bredere openbaring van de wereld, en dat onze provisorische rekeninstrumenten lang niet zo geavanceerd en efficiënt zijn als degene die aan Homo sapiens vooraf zijn gegaan. We gaan ervan uit dat computerprocessen een van de manieren zijn waarop materie, in welke vorm dan ook, intelligentie verkrijgt via procedurele abstractie. Het hersenweefsel van Homo sapiens is materie die intelligentie heeft verkregen op manieren die tegelijkertijd wel en niet ‘computerachtig’ zijn in de conventionele zin van het woord. En tenslotte gaan we ervan uit dat het oplossen van synthetische computerprocessen – onze software – in het weefsel van de stad het landschap van niet-organische vormen voorziet van een soort gedistribueerde intelligentie, omdat het ze een abstraherend vermogen geeft. Dat wil zeggen: intelligentie als abstractie, computerprocessen als intelligentie, en computerprocessen als abstractie.

 

Dit inzicht is verantwoordelijk voor twee verwante maar verschillende ideeën. We moeten begrijpen dat intelligentie (en kennis) altijd gedistribueerd is onder meerdere posities en vormen van leven, die tegelijkertijd wél en niet op elkaar lijken. Dat wil niet zeggen dat ‘niets echt is en alles uit permutaties bestaat,’ maar eerder dat geen enkele neuro-anatomische gesteldheid een bevoorrecht monopolie heeft op hoe je intelligent kunt denken. Wat als algemene intelligentie, die niet aan een bepaalde soort of stam vastzit, in aanmerking zou kunnen komen, is haar vermogen tot abstractie. Ray Brassier (https://en.wikipedia.org/wiki/Ray_Brassier) oppert dat het vermogen van een organisme, hoe primitief ook, om zijn eigen omgeving in kaart te brengen, met name in relatie tot het fundamentele probleem van vriend, vijand of voedsel, een oervorm van abstractie is die zich heeft ontwikkeld tot zoiets als de rede en de plaatselijke menselijke variëteiten daarvan. Op die manier is het in kaart brengen van abstractie geen vroege fase waar dingen doorheen gaan op hun weg naar complexere vormen van intelligentie, maar eerder een algemeen beginsel van die ‘complexificatie’.

Net als protozoa en hun ganglionen, die om zich heen tasten om erachter te komen wat zich daar zou kunnen bevinden, of net als mensen die patronen bekijken of zich die inbeelden, worden de huidige vormen van kunstmatige intelligentie (soms) uitgebreid met diverse technologieën op het gebied van de machinale cognitie, het machinale voelen of het machinale gezichtsvermogen, zodat ze in staat zijn de wereld ‘daarbuiten’ te zien en te voelen, en de vormen van een (mechanisch) belichaamde intelligentie te abstraheren, zowel die van intelligentie die doelbewust voor hen is geprogrammeerd als die van intelligentie die onverwachts opduikt. Dus we bespreken kunstmatige intelligentie op het niveau van de stad in termen van een zekere ‘distributie van het functionele,’ om de zinsnede van Rancière een nieuwe wending te geven. Daartoe behoren: 1. ‘Denken’ (inclusief de Turing Test, humanistische denkmodellen, epistemologische en praktische gevaren).

 

Wat we vandaag de dag verstaan onder de verzamelnaam ‘kunstmatige intelligentie’, van de dieperliggende infrastructuur tot de onmiddellijke affecten daarvan, zal niet alleen veranderen wat als ‘denken’ geldt, maar ook wat voor architectuur, design, politiek en programmeren doorgaat.

 

2. ‘Epidermische media’, zoals synthetische huid en de samensmelting van natuurlijk voelen en machinaal aftasten, voor dierlijke huiden zoals de onze maar ook voor stedelijke huiden, oppervlakten en interfaces. De implicaties hiervan voor het wonen. 3. Machinaal gezichtsvermogen, camouflage, de omgekeerde ‘uncanny valley,’ de apofenie en paranoia van kunstmatige intelligentie, enzovoort.

 

Ik zou willen beginnen met een pleidooi voor een uitbreiding van het terrein waarop ons denken zich afspeelt, ook door het normale alternatief – het modelleren van kunstmatige intelligentie in termen van hoe mensen denken dat mensen denken – te diskwalificeren. De Turing Test (http://www.turing.org.uk/scrapbook/test.html) is in dit verband een model, en de eis van deze test dat kunstmatige intelligentie voor menselijk moet kunnen ‘doorgaan’ is verontrustend. Zoals gedramatiseerd in The Imitation Game (https://en.wikipedia.org/wiki/The_Imitation_Game), de recente filmbiografie van Turing onder regie van Morten Tyldum, moest de wiskundige zichzelf ook ‘bewijzen’, in dit geval als een heteroseksuele man in een samenleving die homoseksualiteit criminaliseerde. Nadat was ontdekt dat hij niet was wat hij leek te zijn, werd hij gedwongen een afschuwelijke medische behandeling te ondergaan die bekend stond als ‘chemische castratie.’ Uiteindelijk werd de fysieke en emotionele pijn hem te veel en pleegde hij zelfmoord. Deze episode was een grotesk eerbetoon aan een man wiens recente bijdrage aan de overwinning op Hitlers leger nog steeds een staatsgeheim was. Turing heeft pas onlangs postuum eerherstel gekregen, maar tienduizenden andere Britse mannen die hetzelfde lot hebben ondergaan niet. Opmerkelijk is de wrange overeenkomst tussen de eis dat kunstmatige intelligentie voor de Turing Test moet ‘slagen’ om voor intelligent te kunnen doorgaan – om als ‘menselijke’ intelligentie te kunnen worden gewaardeerd – en de noodzaak die Turing zelf voelde om zijn homoseksualiteit te verbergen en zich als heteroseksueel te gedragen. Beide eisen zijn onnodig en zeer onbillijk.

 

Mocht er ooit sprake zijn van complexe kunstmatige intelligentie, dan zal die niet mens-achtig zijn, tenzij we erop staan dat die intelligentie zich als zodanig voordoet, omdat het idee dat intelligentie tegelijkertijd reëel en niet-menselijk kan zijn in ethische en psychologische zin vermoedelijk ontoelaatbaar zal worden geacht. In plaats van deze onverdraagzaamheid te koesteren zouden we er beter aan doen toe te geven dat ‘denken’ in ons universum veel uiteenlopender vormen kan aannemen dan we gewend zijn.

 

De werkelijke filosofische lessen van de kunstmatige intelligentie zullen minder van doen hebben met mensen die machines leren hoe ze moeten denken, dan met machines die mensen een voller en waarachtiger idee kunnen geven van wat denken kan zijn.

 

We kunnen beter onderzoeken hoe de identificatie vanuit onze kant van het gesprek in zijn werk gaat. Het is duidelijk veel makkelijker een robot te maken waarvan een mens gelooft dat die emoties heeft (en die op zijn beurt de indruk wekt dat hij ‘herkent’ dat een mens emoties heeft, positief of negatief) dan een robot te bouwen die deze emoties werkelijk heeft. De mens kan liefde of haat of geruststelling voelen van de kant van de kunstmatige intelligentie, maar hij of zij ‘leest’ aanwijzingen en ontdekt geen gevoelens. Wat op empathie lijkt is in werkelijkheid een eenzijdige projectie die onterecht wordt opgevat als ‘bewijs’ (zoals de Turing Test zelf), zonder gebaseerd te zijn op enige wederzijdse solidariteit.

 

In andere fictieve verhalen is het spelen van het imitatiespel een zaak van leven en dood. De plot van de film Blade Runner van Ridley Scott (http://www.warnerbros.com/blade-runner) uit 1982, gebaseerd op de roman Do Androids Dream of Electric Sheep? van Philip K. Dick (https://en.wikipedia.org/wiki/Do_Androids_Dream_of_Electric_Sheep%3F) uit 1968, draait om de Voight-Kampff empathietest (https://en.wikipedia.org/wiki/Blade_Runner#Voight-Kampff_machine), waarmee je mensen van replicants kunt onderscheiden. Replicants worden op twee belangrijke manieren ‘klein gehouden’: ze geven al na een paar jaar de geest en hebben ogenschijnlijk een zeer verminderd vermogen tot empathie. Deckard, gespeeld door Harrison Ford, moet een groep op de vlucht geslagen replicants uitschakelen, maar eerst moet hij ze zien te vinden, en in deze wereld gaat dat met grof geweld gepaard, om te voorkomen dat replicants voor mensen doorgaan en op die manier de drempel van de Turing Test overschrijden.

Tegen het einde van de film ontwikkelt Deckard (die zelf misschien ook wel een replicant is) empathie voor het verlangen van de replicants naar ‘een langer leven,’ en zij wellicht ook: Roy Batty (gespeeld door Rutger Hauer) lijkt althans empathie te hebben voor het dilemma van Deckard. Zijn dilemma (en het onze) is dat Deckard, om de kloof tussen de menselijke en de kunstmatige intelligentie te bestendigen, die wordt gedefinieerd door empathie of het gebrek daaraan, de empathie moet onderdrukken die verondersteld wordt hem menselijk te maken. Door hem te dwingen voorbij te gaan aan zijn eigen empathie jegens de replicants, die zogenaamd geen empathie kunnen hebben, moet het principe dat er verschil moet zijn tussen de diverse soorten intelligentie zichzelf onderuit halen om overeind te kunnen blijven.

 

In het tweede deel van deze lezing zal ik kunstmatige intelligentie bespreken op het niveau van de stad, in samenhang met de huid, het gezichtsvermogen en het denken. In het derde deel zal ik mijn verhaal besluiten met een paar voorlopige ontwerpaanwijzingen.

 

Het werken met computers heeft zich ontwikkeld tot een megastructuur van planetaire afmetingen. Het is zowel een enorme enveloppe die steden omvat, als een fundamentele substantie die ieder object helpt definiëren; we zitten er middenin, maar het zit ook in ons.

 

Sommige ontwerpers (architecten) zien software misschien als iets wat aan de ruimte wordt toegevoegd. Zij vinden het idee van slimme steden nogal stupide omdat het veronderstelt dat steden niet allang intelligent zijn. En ze hebben gelijk. Sommige ontwerpers (programmeurs) zien steden misschien als hardware-modules die in elkaar passen, één voor één in die megastructurele matrix. Vanuit dit perspectief bezien zijn onze steden een soort computer-hardware die – stad voor stad – in die megastructuur past. Het werken met computers is dan een fundamentele substantie die helpt de fysieke aspecten van ieder stedelijk object te definiëren. Google is in dit verband de exemplarische tweede ‘ontwerper’, zowel in termen van zelf-sturende auto's als in die van embedded software als belichaamd in of als een ‘stad’. Het blijkt dat een betere manier om van parkeerplaatsen af te komen niet een vorm van het instellen van zones is, maar het uitrusten van auto's met camera's en sensoren. Zij hebben ook gelijk, en daarom is de ene vorm van design in de andere genesteld. Om dit voor twee termen (die ik overigens haat) te beschrijven: de Smart City bevindt zich in het Internet of Things, net zoals het Internet of Things zich in de Smart City bevindt. Er is hier sprake van een paar duidelijke design-kwesties: de opkomst van genetwerkte platforms voor dienstverlening in de fysieke wereld en HAII (Human A.I. Interaction practices – voorbeelden van interactie tussen menselijke en kunstmatige intelligentie), enzovoort. Maar het zijn niet de ‘smart control and production’-varianten waarin ik ben geïnteresseerd.

 

Tot de overige belangrijke design-implicaties behoren de manier waarop de stadslaag van The Stack soevereine beslissingen van binnen naar buiten automatiseert, de manier waarop een vorm van angst of enthousiasme voor kunstmatige intelligentie lijkt op de vroegere angst voor Copernicaanse veranderingen (toen de aarde om de zon bleek te draaien en niet andersom), en de manier waarop we niet-menselijke actoren in het begrip ‘de Gebruiker’ moeten opnemen, naast implicaties voor onze geopolitiek, namelijk de herdefiniëring van soevereiniteit.

 

Het werken met computers op planetaire schaal neemt verschillende vormen aan, op verschillende niveaus – de productie en het transport van energie, en de winning en het transport van mineralen; de ondergrondse infrastructuur van de cloud; de privatisering van stedelijke software en openbare diensten; universele adressystemen van immense afmetingen; interfaces die functioneren door het uitvergroten van de hand of het oog, of die zijn opgelost in objecten; gebruikers waarvan de grenzen tot in het absurde worden weergegeven door zelf-kwantificatie, maar die ook zijn ‘geëxplodeerd’ door de komst van grote hoeveelheden sensoren, algoritmes en robots. In plaats van deze allemaal te zien als een amalgaam van verschillende soorten computerprocessen en computernetwerken, die zich op eigen kracht in verschillende dimensies en tempo's verspreiden, moeten we ze ons voorstellen als een samenhangend en onderling afhankelijk geheel. Deze technologieën vormen samen, laag na laag, een soort grote, zij het tevens onvolledige, en alles doordringende maar ook onregelmatige stack (stapel) van hardware en software (https://mitpress.mit.edu/books/stack).

 

We zien steden als (1) provisorische nederzettingen, georganiseerd rond agrarische voorzieningen (een aanvankelijk culinair-geïnspireerd soort geo-engineering) en 2) als een knooppunt aan de horizon, dat dient als oriëntatiepunt voor mobiele mensen en dingen, terwijl zij migreren en heen en weer bewegen. De eerste omschrijving is die van de stad als enkelvoudige megastructuur, en de tweede is die van de stad als een cluster van op oriëntatie gerichte interfaces. De stad biedt onderdak aan miljoenen soorten, van microben en insecten tot planten en slimme zoogdieren. Het is een levendig bacteriologisch en immunologisch pandemonium, een plaatsgebonden ecologie van predatie en symbiose op meerdere niveau's (waar we nu ook de evolutionaire robotica aan kunnen toevoegen). Steden die op deze manier zijn gedefinieerd, met perspectieven die zijn voortgekomen uit de planning van de volksgezondheidszorg tot de aanbodketenlogistiek van stedelijke systemen, zijn infrastructuren voor levende en niet-levende materie om zichzelf te verbruiken, en voor sommige materievormen om bewuste intelligentie te bereiken en die te scherpen (waardoor steden naar het evenbeeld hiervan kunnen worden herschapen).

 

Kunstmatige ‘intelligentie’ is één manier waarop materie zichzelf tot duurzame complexiteit organiseert. Een speciale vorm van die complexiteit is de stad: een kant-en-klare accumulatie van materiële intelligentie, zowel menselijk als niet-menselijk. Als die kunstmatige intelligentie steeds geavanceerder wordt, wat zal dan het stedelijk ontwerp-project ervan zijn? Wat móet dat dan zijn? Ik beschouw kunstmatige intelligentie als iets wat we de hele tijd om ons heen kunnen zien, en als iets wat bestaat uit vormen van synthetisch redeneren die we aan het ontwerpen en afbakenen zijn, en die zullen bijdragen aan de vormgeving van toekomstige steden. We zien kunstmatige intelligentie in wat de filosofie het probleem van de ‘Andere Geest’ noemt (http://plato.stanford.edu/entries/other-minds/): hoe te communiceren met een intelligentie waarmee je slechts zeer kleine delen van de werkelijkheid kunt delen (waartoe de alien in Tarkovski's Solaris behoort, maar ook ieder dier).

 

We proberen kunstmatige intelligentie niet te zien in termen van hoe we denken dat we denken, als een soort virtuele of artificiële menselijke cognitie, maar als het denken en belichamen van een andere plek dan we nu doen, op een groter, gedeeld continuüm van materiële intelligentie.

 

Ik wil nu snel inzoomen op de manieren waarop abstractie ‘huidgebonden’ en cartografisch kan zijn: hoe zij huiden (de menselijke huid, de huid van gebouwen, iedere huid) kan bezetten en agiteren, en hoe zij dat doet met als doel zaken in kaart te brengen. Ik zal ieder van deze onderwerpen kort behandelen. Eerst de huid. Een deel van het onderzoek waarbij ik betrokken ben op de UCSD (https://ucsd.edu), in samenwerking met het departement voor nano-techniek en bio-techniek, gaat over de manier waarop de veronderstelde verschillen tussen natuurlijk voelen en machinaal aftasten kunnen worden geëlimineerd door technologieën die in en op de huid werkzaam zijn, en op het niveau van ons in en op de huid aanwezige somatosensore systeem (mechanoreceptoren, https://en.wikipedia.org/wiki/Mechanoreceptor, thermoreceptoren, enz). Hiermee doel ik niet op een of ander aan de Object-Oriented Ontology (OOO) ontleend woordspelletje, waarbij machines bepaalde vermogens tot intuïtie en affectie toebedeeld krijgen. Ik refereer in plaats daarvan liever aan ‘real-deal’-technieken, waarmee biologische en niet-biologische fysiologisch-chemische reacties met elkaar verbonden worden. Als we de chemische sensitiviteit op of nabij het atomair niveau, en de registratie daarvan als doorgeefbare informatie met micro-elektronica in en op de huid op grotere schaal ontwerpen, bedenken we een mediatisering van het gevoelige oppervlak. Er zijn veel onderzoekers in de wereld wier werk representatief is voor deze belangstelling: onder meer John Rogers aan de Universiteit van Illinois (http://rogers.matse.illinois.edu/), Joseph Wang (http://jacobsschool.ucsd.edu/faculty/faculty_bios/index.sfe?fmp_recid=278) en Todd Coleman (http://jacobsschool.ucsd.edu/faculty/faculty_bios/index.sfe?fmp_recid=331) aan de UCSD (http://coleman.ucsd.edu/about-pi/). Kunstmatige huiden behoren tot de meest interessante gebieden van het nieuwe design. DARPA (http://www.darpa.mil/about-us/about-darpa) financiert al lange tijd onderzoek naar geavanceerde protheses, en momenteel richt één onderzoeksspoor zich op het voorzien in synthetische tactiele sensatie in de ‘vingertoppen’ en andere huidoppervlakten van lichaamsuiteinden van de drager. In andere laboratoria kun je veel variëteiten aantreffen van epidermische micro-elektronica, waarmee het vermogen van de levende huid wordt vergroot om externe of interne stimuli te voelen. Chemisch onderzoek op nanoschaal zorgt voor ‘inkten’ die reageren op de aanwezigheid van sporenelementen van deeltjes waarmee zij geacht worden te reageren.

 

Samengevoegd duiden deze technologieën op een op de huid gebaseerde mini-’stack’, samengesteld uit biologische, chemische en mechanische sensing- en processing-componenten in diverse combinaties. Als ontluikende formulering van draagbare computeronderdelen (inclusief biochemische reacties) zou dit het dierlijk voelen en machinaal aftasten kunnen laten samenkomen in samengestelde oppervlakte-media. Als platforms voor haptische interfaces kunnen de voorwaarden voor ‘interactie’ onder of boven de normale waarnemingsschalen liggen, en autonome zenuwreacties omvatten, zoals de betrekkelijk plompe gebaren van handen en duimen. Om even bij de huid van menselijke lichamen te blijven: we moeten erkennen dat de fotografie en de cinema het mogelijk hebben gemaakt een soort beelden samen te stellen – en te zien – dat we nooit eerder hadden gezien, dankzij montage, slow motion, dubbele belichting, enz., en hetzelfde geldt voor synthetische en opgenomen geluiden en ons gehoor. Ons grootste zintuiglijke orgaan is onze huid, maar het is vrij duidelijk dat we tot nu toe geen vormen van kunstmatige aanraking, tactiliteit, en gevoel voor op de huid gebaseerde media hebben ontwikkeld die net zo divers of geavanceerd zijn als de vormen die we hebben voor ons gezichtsvermogen en ons gehoor. Kleding is één manier waarop het design de genetische revolutie voorbij is gesneld om de huid ‘uit te breiden’: het ontwerpen van duikpakken gaat bijvoorbeeld sneller dan het laten evolueren van bont of spek. De hedendaagse huidgebonden media maken het mogelijk dingen uit de externe wereld te ‘voelen’ die onze huid niet op een andere manier kan registreren (stofdeeltjes in de lucht), of dingen over onze interne toestand (de PH-balans in zweet).

 

De interessantere designhorizon op de langere termijn bestaat uit op de huid gebaseerde media die nieuwe, onnatuurlijke vormen van aanrakings-sensatie mogelijk maken, zoals we die misschien nog nooit eerder hebben ervaren. Plezier en pijn staan daarbij op het menu, maar nog veel meer. Opnieuw zijn de vroege, experimentele cinematografische innovaties van kunstmatig beeld en geluid een van de precedenten. Een ander is de moleculaire gastronomie, waarbij voedsel opnieuw wordt opgebouwd uit fundamentele chemische principes, als we smaak tenminste beschouwen als een bijzonder genuanceerde vorm van aanraking, wat natuurlijk ook zo is.

 

De nieuwe smaken van vandaag staan model voor toekomstige sensaties.


Als we deze onderzoekslijn nu doortrekken naar het niveau van de stad, omvat dat wat we beschouwen als het kunstmatig bemiddelde oppervlak daarvan dingen die analoog zijn aan de huid, maar ook wat we vandaag de dag informeel aanduiden als machinaal ‘gezichtsvermogen’. In de geschiedenis van de evolutie is het gezichtsvermogen vele malen onafhankelijk geëvolueerd, en er valt iets voor te zeggen dat dit de afgelopen twee decennia opnieuw is gebeurd, ditmaal niet voor inktvissen en ratelslangen, maar voor genetwerkte CCD-sensoren en algoritmische armaturen, die dat wat waargenomen of ‘gevoeld’ wordt verwerken tot onderscheidende en gemotiveerde patronen van herkenning. ‘Visuele’ sensoren die op licht reageren, dikwijls maar niet altijd vermomd als camera's, zijn één soort vormgegeven oppervlak dat in staat is om iets synthetisch te ‘voelen’ en met behulp van computerprogramma's te interpreteren, maar in het bredere stedelijke landschap mengen zij zich met netwerken van andere oppervlakte-sensoren die reageren op beweging, druk, hitte, de kwaliteit van de lucht, enzovoort.

 

Voor zover dit uitkomt, noemen we dit afwisselend ‘machinaal gezichtsvermogen’ of ‘machinaal horen’ of ‘machine-huid’, maar iedere overeenkomst met het zintuiglijke systeem van zoogdieren is louter allegorisch van aard. De AI-stad voorziet zichzelf wellicht van een lichaam, maar niet zoals mensen dat doen.

 

Als informatie schaars is, geschiedt het kopiëren van iets met behulp van een mechanisch beeld. Maar als informatie in overvloed aanwezig is (en vooral als dat in extreme mate het geval is), is het zien van het origineel, en het ontdekken van het patroon ervan tegen een bepaalde achtergrond, het werk van het machinaal gezichtsvermogen.

 

Vandaag de dag worden veel beelden voor niemand meer gemaakt, maar dat wil niet zeggen dat zij geen functie meer hebben. Zij worden gemaakt door en voor machines die de wereld anders ‘zien’ dan wij doen. Die machines hebben geen oogballen, staafjes of kegeltjes, en geen visuele cortex, maar sensoren die op andere manieren licht, hitte en kleur waarnemen.

 

Het animalistische verband tussen het gezichtsvermogen en het maken van afbeeldingen is vooral iets menselijks, en het is waarschijnlijk dat van het begin tot het eind van het Holoceen de totale hoeveelheid afbeeldingen die mensen hebben geproduceerd, van de wanden van grotten tot FaceTime (gemeten op jaarbasis, in aantallen ponden aan afbeeldingen en gigabytes aan informatie, enz.), exponentieel zal blijven stijgen. Nu ieder mens digitale beeldapparatuur in zijn zak heeft, zou de ruwe som aan beelden die sinds het jaar 2000 zijn geproduceerd het totaal aantal beelden dat vóór dat jaar is geproduceerd wel eens kunnen overtreffen. Het hangt ervan af hoe je ‘een beeld’ kwantificeert, maar wat Walter Benjamin ‘mechanische reproduceerbaarheid’ noemde heeft er zeker voor gezorgd dat beelden zich konden vermenigvuldigen tot ver buiten de mogelijkheden van de menselijke nijverheid.

 

In de afgelopen twee decennia is het ‘gezichtsvermogen’ opnieuw geëvolueerd, ditmaal niet voor vogels, duizendpoten of ratelslangen, maar voor anorganische soorten machines die beelden kunnen maken en verwerken die mensen kunnen zien en andere machines kunnen analyseren. Vandaag de dag vertegenwoordigt de industriële schaal van de gegevensverwerking, die mogelijk is gemaakt door het lichtspectrum op een bepaalde manier te scannen – van de bewakingscamera's op straat in onze steden tot de kwaliteitscontrole op de millimeter bij de productie aan de lopende band –, een aanzienlijk deel van al het werk dat de wereld doet om een beeld van zichzelf te verkrijgen, met als doel het besturen van de menselijke samenleving. Uiteindelijk blijkt het mechanische phylum méér selfies te maken dan levende mensen doen.

 

De functie van de representatie is echter heel anders. Het ‘beeld’ zal waarschijnlijk uit data blijven bestaan, die nooit zullen worden verwerkt tot een ‘afbeelding’, omdat daar geen noodzaak toe is. Een algoritme dat is geprogrammeerd om een bepaald patroon of een bepaalde anomaliteit te herkennen, kan dit rechtstreeks in de data zelf ‘waarnemen’. Die data hoeven niet per se te worden geprojecteerd, zoals voor een zoogdier, en daarna weer te worden geherinterpreteerd in code. Hebben machines net als planten een soort gezichtsvermogen zonder beelden? Of op z'n minst een soort beeld zonder natuurlijke abstractie naar en van de lichamelijke ervaring, dat wil zeggen: een abstractie die is gebaseerd op chemische of informatie-gerelateerde vormen van patroonherkenning, maar niet als een cartografische simulatie van de ervaring?

 

Hoe verbazingwekkend dit voor sommigen ook mag zijn, de functie van machinebeelden vandaag de dag (en van hun abstracties, zowel in ‘dierlijke’ als in algoritmische zin) is het vaststellen van de echtheid en oorspronkelijkheid van wat die beelden vertegenwoordigen. Sommige vormen die op een dollarbiljet afgedrukt staan, stellen mensen in staat de waarde van het ene biljet van het andere te kunnen onderscheiden, maar er zijn er nog veel meer die zijn bedoeld om machines, uitgerust met speciaal ‘gezichtsvermogen’ om vervalsingen te kunnen opsporen, te laten vaststellen of dit wel een ‘echte’ dollar is. Het stukje papier (het dollarbiljet) is bezaaid met machines die eruitzien als afbeeldingen; het zijn afbeeldingen-als-machines. Op een surveillance-scan van een stad kan één gezicht uit duizenden gezichten die in beweging zijn worden opgepikt, als naar dat ene specifieke gezicht wordt gezocht. Het toevoegen van kleine camerasondes aan beroemde schilderijen, om te bevestigen dat het originelen zijn, wordt vaak door verzekeringsmaatschappijen geëist die kopers steunen. Online toont captcha-software een beeld, en vervolgens wordt via een snelle omkering van de Turing Test geanalyseerd hoe de gebruiker dit interpreteert en vastgesteld of we met echte personen te maken hebben.

 

We concluderen dat de verzekering van Walter Benjamin dat mechanische reproductie het aura van het origineel zou ondermijnen waar is als we bijvoorbeeld een schilderij met een ansichtkaart van een schilderij vergelijken. Maar machinaal gezichtsvermogen en afbeeldingen-als-machines worden aan het werk gezet om originelen met een aura van oorspronkelijkheid, gewaarmerkte niet-vervalsingen, echte identiteiten, ongebroken versies, normale doelstellingen en gecertificeerde echtheid te waarborgen. Zijn historische boog van het pre-mechanische origineel naar de mechanische kopie is incompleet zonder nóg een curve, één die leidt naar het op de machine gebaseerde origineel.

 

Toch is het machinale visuele subject niet iets wat menselijke of op de mens gelijkende perceptuele of esthetische vermogens bezit, maar eerder iets wat griezelig en interessant is, omdat het die dingen juist níet bezit, en ons toch kan zien, herkennen en kennen. Dat is vreemd en interessant genoeg.

 

Er is de vraag hoe de wereld eruitziet als een scherm. Een andere vraag, die ik belangrijker vind, is hoe we eruitzien als objecten van perceptie, vanuit het gezichtspunt van de machines waarmee we die wereld delen.

 

Het zien van onszelf door de ‘ogen’ van die machinale Ander, die geen affectief soort esthetiek heeft of kan hebben, is een soort teleurstelling. Wij zijn gewoon dingen in de wereld, die ‘gedistribueerde machinale cognitie’ kan bekijken en interpreteren. Onze eigen verstandelijke vermogens zijn echt en uniek, maar omdat we dingen-zijn-die-kunnen-worden-waargenomen-en-toevallig-verstand-blijken-te hebben, is dit niet echt van belang voor het machinale gezichtsvermogen. Deze teleurstelling is méér dan het louter horen van het opgenomen geluid van je eigen stem (‘dat ben ik niet’) – zij maakt in potentie korte metten met een goed bewaarde illusie. Deze ongemakkelijke herkenning in de spiegel van de machine is een soort omgekeerde ‘uncanny valley.’ In plaats van te schrikken over hoe onmenselijk het wezen dat we zien eruitziet, schrikken we ervan hoe onmenselijk we er zelf uitzien in de ogen van het wezen.

 

Tijdens het schrijven van een boek over kunstmatige intelligentie heb ik ontdekt dat het onmogelijk is de technologie te scheiden van de soms bizarre ideeën die we ervoor en erover hebben. Ik ben gefascineerd door de manier waarop technologieën niet alleen geantropomorfiseerd worden, maar ook door de manier waarop sommige bedreigend en andere verbazingwekkend worden gevonden, en sommige allebei tegelijk. Of aliens nu je gedachten lezen via radiogolven en implantaten in je tanden, of dat het Google is dat je gedachten leest via e-mail, de grensgebieden tussen schizofrenie en verstandige waakzaamheid – zinsbegoocheling en deductie – zijn betwist grondgebied.

 

Dat wil zeggen: de beelden zijn op zichzelf al opmerkelijk genoeg, zonder zorgen over de toekomst, maar als de kijker eenmaal de deels empatische overgang weet te bewerkstelligen naar de Andere Geest van de gezichtsherkenningsalgoritmes en hun manier van kijken, is het effect het betrachten van een nieuw soort perceptie en het zin geven aan de wereld door deze ogen: dat is de werkelijke beloning.

 

Een personage in de recente roman van Peter Watts, Echopraxia (http://www.tor.com/2014/08/26/book-review-echopraxia-peter-watts/), betoogt dat foutieve patroonherkenning onlosmakelijk verbonden is met het evolutionaire succes van Homo sapiens. Het verhaal gaat als volgt: Tienduizenden jaren terug verschuilen twee jongens zich in het hoge gras. Stilletjes kijken ze overal om zich heen, op zoek naar roofdier en prooi. Een van hen ziet een flauwe, maar duidelijke anomaliteit in de manier waarop het gras van links naar rechts beweegt. Hij herkent dit patroon als dat van een naderende tijger en rent terug naar het dorp, zijn vriend als prooi achterlatend. De jongen die wegrende was in staat nageslacht te reproduceren. Zijn patroonherkenningsgenen verzekeren zijn en hun eigen overleving, en de jongen die deze genen niet bezat kon geen nageslacht produceren. Maar er was een derde jongen die – misschien de dag ervóór – in soortgelijk gras zat. Hij zag ook een vreemd patroon. Hij dacht ook dat het een tijger was en stond op en rende terug naar de veiligheid van het dorp. Maar in dit geval was er geen tijger – het zat allemaal in zijn hoofd. Hij was niet slim; hij was paranoïde. Toch was ook hij in staat nageslacht te produceren, maar dat gold tevens voor zijn foutieve patroonherkenningsgenen (die wellicht feitelijk dezelfde zijn als de accurate patroonherkenningsgenen van de eerste jongen). De les is dat de evolutie de menselijke patroonherkenning enorm heeft bevoordeeld, maar onlosmakelijk daarmee verbonden is dat zij hallucinaties en vergissingen eveneens heeft beloond.

 

Neem Googles Deep Dream, waardoor patroonherkenningsalgoritmes naar zichzelf worden teruggeleid, zodat verbazingwekkende, hallucinatoire, synthetische apofenieën ontstaan. Dat wil zeggen dat de algoritmes van Google zelf paranoïde zijn; zij zien overal psychedelische hondenkoppen in. De reden dat Deep Dream honden hallucineert is niet eng. De herkenningseigenschappen werden aangeleerd met behulp van de ImageNet-dataset, die is gebaseerd op verschillende hondenrassen. Deep Dream zal daarom honden ‘zien’ als die er niet zijn en mensen voor honden aanzien als het programma er doordringend genoeg naar moet kijken. Dat laatste kan beledigend lijken, maar dat hoeft niet. Het proto-kosmopolitanisme van Diogenes is immers gebaseerd op de glorieuze hond-achtige gemeenschappelijkheid van allen.

 

Als de Deep Dream-beelden het product zijn van de hallucinaties van fantoom-conclusies van een computer, is de samenzweerderige figuur van Stiefvader Evil Google diezelfde paranoïde visie, maar dan binnenstebuiten gekeerd. Misschien is Google, de kunstmatige intelligentie, net zo paranoïde in hoe zij tegen ons aankijkt als dat wij dat zijn in hoe wij tegen haar aankijken. Het is dus niet verrassend dat naarmate de kunstmatige intelligentie ‘rijpt’ haar eigen patroonherkenningseigenschappen het niveau van creatieve apofenie bereiken. Van Antonin Artaud tot Seymour Cray hebben velen overeenkomsten waargenomen tussen abnormale menselijke psychologie en diverse soorten machinale gedragingen. Buiten eenvoudige antropomorfiserende bedoelingen (‘de kopieermachine is vandaag op hol geslagen’) voltrekken onze deductie en inductie van mechanische intelligentie zich langs de paden van het begrip van onze eigen intelligentie. Het is een van de weinige overeenkomsten van dit type die ons humanisme zal toestaan. Niettemin bevat de schatkamer aan allegorieën die we uit deze geschiedenis van de machinale psychiatrie kunnen halen ondanks zichzelf nog steeds aanzienlijk interpretatief en zelfs creatief potentieel. (In Kubrick’s 2001: A Space Odyssey, https://en.wikipedia.org/wiki/2001:_A_Space_Odyssey_(film) was HAL bijvoorbeeld duidelijk een zeer paranoïde creatuur. Geplaagd door duistere gedachten besloot de kunstmatige intelligentie dat de missie naar Jupiter niet bestand was tegen de samenzwering van mensen en zette zij die daarom overboord.)

 

Is machinaal gezichtsvermogen paranoïde? Is ons doorsnee-begrip van machinaal gezichtsvermogen paranoïde? Wat is Google van plan? Zijn ze naar je aan het kijken, en als dat zo is, wie (of wat) zien ze dan? Is ons begrip van Googles paranoïde machinale gezichtsvermogen zélf paranoïde, waardoor de paranoïde kunstmatige intelligentie in reactie daarop nóg meer paranoïde wordt? In één woord: ja. Is dit de manier waarop de kunstmatige intelligentie zich moet ontwikkelen, in verhouding tot en los van de menselijke intelligentie? Als de evolutie van de menselijke patroonherkenning een aanwijzing is – gebaseerd op zowel productieve als destructieve apofenie, deceptie en waanideeën – dan luidt het antwoord: ja en nee.

 

Een mengeling van diverse sensoren (voor licht, lucht, geluid, chemie, enz.) brengt een landschap voort van voelende en denkende kleine wezens, deels discreet belichaamd in elkaar, en deels met een gezamenlijk lichaam, nu hun informatie-inputs in diverse samenstellingen aan elkaar gekoppeld, gemodelleerd en bewerkt zijn.

 

Homo sapiens is uitgerust met een buitengewoon scala aan zintuigelijke vermogens, die – zoals besproken – in verschillende mate kunnen worden uitgebreid met synthetische lagen, uiteenlopend van de sensoren/trackers in de telefoons die wij als pakezels bij ons dragen, tot intiemere media van kunstmatige beelden, geluiden, enz. Door onszelf in dit uitgebreide veld te situeren, zijn we zowel sensoren als ‘gevoeld’.

 

Aan de ene kant zijn we de voornaamste ‘intelligente’ acteurs in dit drama, en overzien we een orkest van ‘sensitieve’ technologieën, die ieder afzonderlijk in staat zijn tot functionele processen en samen bepaalde vormen van intelligentie kunnen voortbrengen (zoals in het geval van neuronen of andere cellen).

 

Aan de andere kant zijn we niet alleen het onderwerp van dit scenario, maar ook het materiaal waaruit dat onderwerp is opgebouwd. Dit bredere stedelijke landschap van synthetische zintuigelijke systemen is niet alleen een platform waarmee we onze vermogens tot abstractie uitbreiden en extrapoleren, het is ook zelfstandig tot andere vormen van abstractie in staat. Als onderdeel van zijn intelligentie kijkt het naar ons en registreert het abstracties over ons. (Dit thema van abstractie kwam naar voren op een symposium waar ik onlangs aan deelnam tijdens SCI_arc in Los Angeles – http://www.sciarc.edu/portal/about/mission_statement/index.html).

 

Daar werd de kwestie van de abstractie voortdurend naar voren gebracht in samenhang met de vraag hoe architectonische vormen en formele beelden kunnen worden gelezen, en hoe de ontwerper kan manoeuvreren tussen het reële en het figuurlijke. Hier zou ik in plaats daarvan willen benadrukken dat abstractie in en op het stedelijke oppervlak niet alleen een kwestie is van hoe architectuur wordt waargenomen, maar ook van de manier waarop die architectuur óns waarneemt.

 

De taak van abstractie in het urbanisme is niet alleen het aanwenden van abstracte vormen, maar ook het in beweging zetten van mechanismen en programma's die in staat zijn hun eigen abstracte prestaties te bewerkstelligen, en te kalibreren hoe zij ons en elkaar dienovereenkomstig abstraheren.

 

Kortom, we moeten ons het urbanisme van de kunstmatige intelligentie voorstellen in termen van Von Uexküll (https://en.wikipedia.org/wiki/Jakob_von_Uexküll): een uitstapje in een omgeving die wordt bevolkt door onderling verweven, maar zich wederzijds van elkaar onbewuste kleine leefwerelden, en/of in termen van Deleuze's parabel van de teek (https://mitpress.mit.edu/books/gilles-deleuze-z). Die laatstgenoemde ligt te wachten tot er één of andere ‘drempelgebeurtenis’ plaatsvindt, op welk moment zijn voorgeprogrammeerde reactie in zijn eigen ledigheid wordt geactiveerd. Veel van onze stedelijke sensoren en hun beperkte vormen van kunstmatige intelligentie werken op soortgelijke wijze, en met soortgelijk adeldom.

 

Veelzijdiger vormen van synthetische intelligentie bezetten een complexere ‘Umwelt’: sommige zijn prooidier en prooi tegelijk, sommige zijn in beweging, sommige bloeien, sommige bestuiven. Terwijl we erdoor heen lopen, kunnen we door hen worden geregistreerd of genegeerd. We kunnen een voorname bron van zorg voor hen zijn, of een stoornis van voorbijgaande aard in een evolutionaire dynamiek, waarin we noch als protagonist, noch als doelwit fungeren.

 

Zoals velen van u weten worden veranderingen van top down- naar bottom up-kunstmatige intelligentie gekenmerkt door een verschuiving van de nadruk: van intelligentie als formele syntax naar intelligentie als een specifiek belichaamde verhouding tot specifieke werelden en modellen. Heuristische kennis over habitats wordt gezien als onafscheidelijk van de manipulatie door kunstmatige intelligente van een gesitueerde probleemplek. In de robotica maakt de koppeling van synthetische aftasting (het gezichtsvermogen bijvoorbeeld) met algoritmische manieren van redeneren het mogelijk dat eenvoudige kunstmatige wezens zich intelligent gedragen, omdat zij iets hebben wat neerkomt op een functioneel belichaamde perceptuele locatie in hun eigen wereld. Zij kunnen denken omdat ze kunnen zien.

 

Hoe dan ook is de hedendaagse kunstmatige intelligentie, net als de protozoa wier ganglia hen hebben voorzien van een fundamenteel vermogen tot cartografische abstractie van hun omgeving, – individueel en, belangrijker nog, gezamenlijk – niet lichaamloos. Zij worden belichaamd door machinale aftasting (machinaal gezichtsvermogen, genetwerkte chirurgische aftasting, enz.) in de stad en op de schaal van de stad. De steden die wij bouwen zijn op deze manier niet alleen de habitat waarover kunstmatige intelligentie belichaamde contextuele kennis verkrijgt, … zij zijn ook het gedistribueerde zintuigelijke apparaat waarmee de kunstmatige intelligentie die context belichaamt. De stadslaag – als platform en als beheersapparaat – lijft zichzelf (en anderen ook) op deze manier in.

 

Dus het gaat minder over kunstmatige intelligentie en steden dan om steden als kunstmatige intelligentie, of beter: om kunstmatige intelligentie als de stad.

 

Een van de structurele voordelen van stacks is hun modulariteit. Wat zich in iedere willekeurige laag bevindt, inclusief de stadslaag, kan door nieuwe dingen worden vervangen, en voor zover ze communiceren met de lagen daarboven en daaronder, volgens de protocollen van het platform (in dit geval de adreslaag en de cloud-laag), blijft het geheel bestaan. Niet alleen faciliteren stacks de uitgebreide vervanging van componenten, hun voornaamste design-waarde bestaat eruit dat zij dit mogelijk maken en stimuleren. Dat wil zeggen: hoewel de vorm van de stack een figuurlijke totaliteit is, is hij niet statisch. Hij is gemaakt om opnieuw gemaakt te worden; dus als je de stack die er is verwoordt, ben je in zekere zin al bezig vooruit te lopen op de stack die nog moet komen.

 

Heel snel dan, bij wijze van conclusie: drie voorlopige punten voor een design-instructie:

 

Tegen AI-automatiserings-skeuomorfisme

 

Algoritmische governance moet in staat zijn regels op te leggen, maar ook kunnen leren. Pleitbezorgers van de blockchain verheerlijken de gedecentraliseerde architectuur ervan, wat zeer waarschijnlijk een belangrijke manier is om aansprakelijkheid te garanderen. Maar de omzetting hiervan in een dwingende structuur betekent centralisatie, en dat betekent ook dat het feit moet worden aanvaard dat platforms tegelijkertijd centraliserend en decentraliserend zijn.

 

Opnieuw wil ik beklemtonen dat ik niet vóór of tegen platforms ben, als zijnde goed dan wel slecht, maar ik betoog ook niet dat ze neutraal zijn. Dat zijn ze namelijk niet, en het is precies dat gebrek aan neutraliteit dat ze bruikbaar maakt als geopolitieke design-instrumenten.

 

De infrastructurele kritiek is cruciaal, maar moet ook leiden tot ontwerpmodellen voor die infrastructuur (als zij serieus wil worden genomen en niet alleen maar een houding wil aannemen). Daarom is het nuttig in termen van totaliteiten als de stack te denken, omdat dit een kader biedt voor het overwegen van de gedistribueerde drijvende kracht, subjectiviteit, oorzaak en gevolg. Er zijn geen externaliteiten, omdat er geen ‘buiten’ is waar je ze kunt onderbrengen.

 

Van User-Centered Design naar Redesigning the User of: vóór universeel gebruikersstemrecht

 

De complexiteiten en contradicties van platform-soevereniteit in relatie tot niet-menselijke gebruikers, die niettemin op z'n minst quasi-intelligente en ‘voelende’ actoren zijn, leiden tot het uiteenvallen van het conventionele onderscheid tussen subject en instrument, bewoner en stad, subject en organisatie, enz. Het agnostische universele stemrecht van de gebruiker moet worden geclaimd als een uitgesproken materialistisch (en niet louter juridisch) kosmopolitisch domein. Als er tegen die ontgoocheling wordt geprotesteerd, duidt dat niet alleen op een afkeer van bepaalde vormen van financialisering, maar ook op een sterke neiging tot pre-Copernicaans menselijk exceptionalisme, zo niet fundamentalisme.

 

Wat dat laatste aangaat zal een van de moeilijkste verschuivingen in ons denken zich moeten afspelen rond de vraag wie of wat een ‘gebruiker’ is en wie of wat soeverein is als gebruiker. Zoals gezegd kennen staten burgers, markten de homo economicus, en platforms gebruikers. Het heeft geen zin om net te doen alsof het een het ander is. Dezelfde persoon of hetzelfde ding kan alle drie deze dingen op verschillende tijdstippen zijn, maar de governance-problemen, de organisatorische problemen en de designvraagstukken zijn allemaal anders.

 

De generieke universaliteit van platforms zorgt ervoor dat ze formeel openstaan voor alle gebruikers, menselijke én niet-menselijke. Als de handelingen van de gebruiker interoperabel zijn met de protocollen van het platform, kan die gebruiker in beginsel communiceren met de systemen en economieën van dat platform. Met dit doel voor ogen genereren platforms gebruikersidentiteiten, of die nu gewenst zijn of niet. Al wat in staat is tot interacties met het platform kan een gebruiker zijn, en het platform kan ze zien en dingen met ze uitwisselen zonder te weten – of zonder zich druk te maken over – wie of wat zij zijn. Het kan platforms niets schelen of de staat je ziet als een illegale immigrant, of dat de markt je ziet als een externaliteit.

 

Het maakt platforms uiteindelijk niets uit of de gebruiker een dier, een plant of een mineraal is – alle gebruikers kunnen platform-soevereiniteit hebben. In veiligheidsjargon: een gebruiker wordt gekenmerkt door drie kwalificaties - iets wat je weet (een wachtwoord), iets wat je bent (zoals een vingerafdruk) en iets wat je hebt (een keycard). Als iemand of iets dit kan zijn, hebben en weten kan het een gebruiker zijn: een handelsalgoritme, een zelfrijdende auto, iemand zonder verblijfsvergunning, een chemische reactie die een drempelreactie veroorzaakt in een omgevingssensor op een blad in een regenwoud: het zijn allemaal gebruikers.

 

De gebruiker is een open positie, als we die als zodanig verdedigen.

 

Het ontwikkelen van een politiek en economisch designmodel voor de stack is daardoor onlosmakelijk verbonden met een filosofische (en technologische) 'omdenking' van de mens als een van de mogelijke soorten gebruikers, en van de gebruiker als iets wat niet per se menselijk hoeft te zijn.

 

Je kunt een reactie tegen dit alles verwachten die net zo fervent als irrationeel zal zijn. Er zijn een paar affiniteiten met technologieën, hoe denkbeeldig of bizar ook, waarvan wordt gedacht dat ze de essentie van het menselijke ‘meester zijn’ belichamen. Wapens en auto's behoren daartoe. Die worden gezien als uitbreiding van de mens, niet als ‘vervuilers’ van de mens door mediatie en hybridisering. Ik zou zo ver willen gaan om te voorspellen dat er een beweging zal komen die door mensen bestuurde auto's als een soort ‘wapens’ zal beschouwen, en dat het Tweede Amendement van de Amerikaanse grondwet, dat nu wordt gebruikt om wapenbezitters in te dekken tegen voor de hand liggende aantijgingen en hun gevoel van persoonlijke macht te beschermen, zal worden ingeroepen om mensen het recht te geven achter het stuur te kunnen blijven zitten. Uw leven kan ten einde komen door toedoen van iemand die in een stalen doos over het asfalt scheurt, louter om het punt te maken dat technologie nooit in de plaats kan komen van dit natuurlijke ‘mens zijn’.

 

Dus hoewel de stack in zekere zin de dood van de gebruiker inhoudt – de ondergang van een bepaald soort vastberaden humanisme (hippie-gebruiker en mechanistisch-utilitaire gebruiker, allebei) – gebeurt dit omdat er ook sprake is van de vermenigvuldiging en proliferatie van allerlei types van niet-menselijke gebruikers (waaronder sensoren, financiële algoritmen, en robots – van heel klein tot heel groot). Met iedere combinatie daarvan kan een relatie worden aangegaan als onderdeel van een samengestelde gebruiker.

 

Een woord nog over de platformlogistiek van de Stadslaag. Stacks zijn platforms, maar niet alle platforms zijn stacks. Platforms zijn zowel technische als institutionele modellen. Hun soevereiniteitsconcepten kunnen niet worden teruggebracht tot die van staten of markten, maar de platforms die steeds vaker het zware werk van het mondiale bestuur opknappen worden wel als zodanig omschreven. Zoals ik al eerder heb opgemerkt hebben staten burgers en markten de hominus economicus, maar het fundamentele samenstellende politieke subject van platforms is de gebruiker, een heel ander wezen. Platforms werken door de gecentraliseerde verzameling van interacties die plaatsvinden dankzij de gedecentraliseerde verdeling van interfaces, het een dankzij het ander. Wat het platform betreft is de gebruikers-soevereiniteit, ontleend aan de beslissingen die het zou verspreiden in een breder interface-programma, beschikbaar voor alles – dierlijk, plantaardig, mineraal – wat op significante wijze interacties kan aangaan met deze interfaces en zo de hele stack kan initiëren. De risico's en mogelijkheden van platformsoevereiniteit vloeien voort uit een geopolitiek van platforms, die zich nog steeds in de ontwikkelingsfase bevindt (die net zozeer op Cloud-Feodalisme wijst als op Volledig Geautomatiseerd Luxe-Communisme), en uit de radicale open subject-positie van de gebruiker, die beschikbaar is voor mensen, genetwerkte sensoren, HST-algoritmen, zelfsturende auto's, groepen dieren, enzovoort. De interface als ‘soort’ is agnostisch. De platforms die wij bouwen, inclusief de toevallige infrastructuur van de stack, zijn gebaseerd op een functionele agent-subject-positie, die veel minder oog heeft voor de speciale status van menselijke wezens in de manier waarop het regeert met en door soevereine uitzonderingen van uitgang/ingang dan we gewend zijn. De meest pijnlijke en gewelddadige gevechten over platformsoevereiniteit die ons te wachten staan, uitgevochten op het niveau van de geautomatiseerde stedelijke interface, zullen niet alleen gaan over ‘nomische’ uitzonderingen, maar ook over het menselijke en humanistische exceptionalisme.

 

Het bewerkstelligen van een levendig post-Antropoceen: geo-engineering als biochemische – informationele – materialistische geopolitiek

 

De distributie van wederzijdse perfectie en ‘co-embodiment’, geïmpliceerd door zintuiglijke AI op stedelijke schaal moet, als we oplettend en volhardend willen zijn, dat wat we een ethiek van zorg, onderdak, en van ontmoeting en onderhandeling noemen veranderen en uitbreiden – ja, tot immuniteit aan toe (echt waar). Stedelijke anomie à la ‘Simmer-Era’ kan verbleken in vergelijking met de uitdagingen van de relaties tussen roofdier en prooi op het gebied van camouflage en simulaties, die ook worden geïmpliceerd door de opkomst van verscheidene ‘alien minds’ en de stedelijke schaal. Het bewerkstelligen van een route naar een leefbaar post-Antropoceen noopt tot trouw aan het idee van iets nieuws.

 

De komst van robuuste, niet-menselijke AI zal voor copernicaanse ontnuchteringen zorgen, die een meer op de werkelijkheid gebaseerd begrip mogelijk moeten maken van onszelf en van onze situatie, en tot een volwaardiger en complexer idee moeten leiden van wat ‘intelligentie’ is en wat niet. Van daaruit kunnen we hopelijk aan onze wereld bouwen met een groter vertrouwen dat onze modellen goede benaderingen zijn van wat zich daarbuiten bevindt (wat altijd helpt).

 

Het Antropoceen zelf is overigens minder het gevolg van een technologie die op hol is geslagen dan van de erfenis van het humanisme, die de wereld beschouwt als iets wat aan ons is gegeven om te voorzien in onze behoeften, en geschapen is naar ons evenbeeld. We zien dit nog steeds overal om ons heen. Onze computercultuur verkeert in diepe verwarring, langs dezelfde lijnen. We weifelen tussen het beschouwen van technologie als een transparante extensie van onze verlangens enerzijds en als een niet te stoppen, lineaire historische kracht anderzijds. In het eerste geval schuilt de motor daarachter als op magische wijze in onszelf, en in het tweede geval schuilt hij helemaal in de code. Het grote opblazen wordt louter omgekeerd, heen en terug, en dat is de reden dat we geen leuke dingen kunnen hebben. Een bekende opinieleider uit de wereld van het design heeft onlangs geschreven: ‘Het is tijd een wereld uit te vinden waarin de machines ondergeschikt zijn aan de behoeften en verlangens van de mensheid.’ Eenvoudigweg adembenemend. Als u er zo over denkt, nodig ik u uit op Google de dia's van de ‘varkensonthoofdingsmachine’ te bekijken; laten we dan nog eens praten over het bedenken van werelden waarin machines volledig ondergeschikt zijn aan menselijke verlangens. Je vraagt je af of het alleen een samenleving kan zijn die massale slavernij ooit van theologische en juridische onderbouwing voorzag die dit soort beweringen anno 2014 nog altijd met zoveel zelfingenomen naïveteit kan debiteren. Dit is het sentiment – precies deze filosofie van de technologie – die het fundamentele algoritme vormt van het dilemma van het Antropoceen. Het is tijd om verder te gaan. Deze pretentieuze folklore is te duur.

 

En hoe zit het dan met het verlangen? Het is lastig de materiële recombinantie als een theorie van de subjectiviteit in kaart te brengen tegen de stijlfiguren van de dood en de liefde in. Freud had nog maar nauwelijks toegang tot Darwin, en al helemaal niet tot de genetica en al die andere dingen, en moet dus waarschijnlijk net zo worden gelezen als je de Grieken leest. Organisch versus anorganisch is een minder belangrijke kwestie; of iets wel of geen koolstof bevat doet er eigenlijk niet toe. Een verlangen om met het anorganische te versmelten, en te worden overweldigd en geabsorbeerd door de materie zelf, kan een manier zijn om de dood tegemoet te treden en zelfs te wensen, maar is feitelijk een zeer alledaagse gebeurtenis.

 

Het is geen droevige lotsbestemming om met vreemde materie te zijn versmolten, en het belangrijkste punt ervan is dat ook andere schema's mogelijk zijn, anatomisch en economisch. Dit menselijk lichaam en dit aardse landschap van materie zijn louter de ‘default settings’. Zij liggen niet vast in het lot. De chemie kan ten grondslag liggen aan de meest radicale vormen van de politieke verbeelding, een ‘culinair materialisme, ja’, een rauw wrijven van de glooiing.

 

Dat is moeilijker dan het zou moeten zijn. Om er twee uit te pikken, de Heideggerianen en de aanhangers van de Singularity – twee groepen die veel gemeen hebben, en twee waarmee ik voortdurend problemen heb –, hebben het onnodig lastig gemaakt om na te denken en te praten over soorten en technologie. Zeker voor zover zij als alternatief gelden voor de Design Theorie. Zij hebben het onvermijdelijke of-we-het-nu-willen-of-niet project op het gebied van geo-engineering, dat de ecologische geopolitiek voor minimaal de 21e eeuw bepaalt, veranderd in iets wat a priori als een metafysische wreedheid wordt gediskwalificeerd, of in iets wat zichzelf eenvoudigweg zal uitsorteren met behulp van de onzichtbare hand van de Wet van Moore (http://www.mooreslaw.org).

In de fetisjering van de menselijke ervaring van de menselijke ervaring enerzijds, en de psychotische propositie dat het zelf een stabiele fysieke entiteit is die exponentieel kan worden uitgebreid zonder in fractale pluraliteit te exploderen anderzijds, maken beiden het veel te moeilijk om dat project van geo-engineering te zien voor wat het moet zijn: meer als moleculaire gastronomie op landschapsschaal, een herstelde en opnieuw gesorteerde ecologie, bedoeld om zichzelf te proeven in nieuwe vormen van rijk-gekruide en verbeeldingsvol gesausde wederzijdse ingestie.

 

Een laatste opmerking: opdat ik niet verkeerd word begrepen als propagandist van de hedendaagse versies van Smart Cities als modellen voor het urbanisme dat ik schets, zal ik eindigen met een citaat uit Adorno’s Minima Moralia (https://en.wikipedia.org/wiki/Minima_Moralia), waarbij ik het oorspronkelijke onderwerp ‘escapistische cinema’ heb vervangen door ‘smart cities’: Het is niet omdat zij hun rug naar het verbleekte bestaan toekeren dat Smart Cities zo weerzinwekkend zijn, maar omdat ze dat niet energiek genoeg doen, omdat ze zelf net zo verbleekt zijn, en omdat de pleziertjes die zij faken samenvallen met de schandelijkheid van de ontkenning … De dromen hebben geen droom.’

 

 

Benno Premsela Lezing
Metahaven

Dit project maakt deel uit van de programmalijn Landschap en Interieur en het dossier Benno Premsela Lezing.

Ieder jaar nodigt Het Nieuwe Instituut een spreker uit om zijn of haar visie te geven op actuele ontwikkelingen in de disciplines architectuur, e-cultuur en design.